Mijn eerste seizoen bij FC Groningen was niet makkelijk. Ik kwam binnen met verwachtingen, maar kreeg te maken met blessures. Ik speelde, ik werkte hard, maar het liep nog niet zoals ik wilde. Dertien doelpunten klinkt misschien niet verkeerd, maar voor mijn gevoel zat er meer in. Veel meer. Ik wist: dit is nog niet het niveau waar ik naartoe wil.
Mijn tweede seizoen bij FC Groningen werd daarom een belangrijk jaar. Niet omdat ik toen ineens ‘de top’ had bereikt, maar wel omdat ik dichterbij kwam. Dichter bij het niveau waarop je voelt: nu begint het echte werk. Dat seizoen leerde mij veel. Over professioneel worden. Over geloven in jezelf. Over spelen tegen grote Europese clubs. Over trots. Maar ook over falen, pijn en verantwoordelijkheid. En misschien nog wel het meest: dat je als speler nooit alleen groeit. Je hebt geloof in jezelf nodig, maar ook een team, een trainer en een omgeving die jou naar een hoger niveau kunnen trekken.
Een nieuwe trainer, een nieuwe stap
Na mijn eerste seizoen kwam er een nieuwe hoofdtrainer: Han Berger. Hij nam het over van Theo Verlangen, de trainer onder wie FC Groningen Europees voetbal had gehaald. Dat was al een prestatie op zich. Maar Han Berger bracht opnieuw een duidelijke visie mee.
De basis bleef hetzelfde: aanvallend voetbal. FC Groningen wilde vooruit voetballen. Druk zetten. Lef tonen. Niet afwachten, maar zelf het initiatief nemen. Dat paste bij mij. Ik was een aanvaller. Ik wilde gevaarlijk zijn, scoren, werken, duels aangaan en mezelf laten zien.
Maar er veranderde iets belangrijks. Han Berger zag dat FC Groningen als club een volgende stap moest zetten. Het team moest langzaam doorgroeien van een ploeg met semiprofessionele spelers naar een selectie met steeds meer full profs. Dat was geen kleine verandering. Dat ging niet alleen over trainen, maar over mentaliteit. Over hoe je leeft. Hoe je herstelt. Hoe je met druk omgaat. Hoe serieus je je vak neemt.
In mijn tweede seizoen was ik een van de full profs. In het derde seizoen zou de selectie bijna volledig uit full profs bestaan. Dat was een strategische keuze van Han Berger om FC Groningen naar een hoger niveau te tillen.
En dat voelde je.
Niet verkeerd begrijpen: in mijn eerste seizoen waren er ook goede spelers en goede prestaties. Het was niet alsof er daarvoor niets stond. Integendeel. FC Groningen had al Europees voetbal gehaald. Maar in mijn tweede seizoen voelde je dat de club verder wilde. Professioneler. Sterker. Constanter.
Dat was precies de omgeving die ik nodig had.
Nieuwe spelers, dezelfde aanvallende geest
We kregen er nieuwe spelers bij. Harry Schellekens kwam als keeper.
Adri van Tiggelen kwam erbij in de verdediging.
Op het middenveld hadden we de Engelsman Paul Mason.
Voorin kwamen onder anderen Bud Brocken en Fandi Ahmad, onze Singaporese topper.
De ploeg kreeg meer kracht, meer kwaliteit en meer breedte.
Ronald Koeman vertrok naar Ajax. Toch bleef de ziel van het team hetzelfde. FC Groningen was geen ploeg die zich wilde verstoppen. Zeker niet in het Oosterpark. Daar voelde je de energie van het publiek. Dat stadion kon kolken. Als het daar vol zat en de supporters erachter gingen staan, dan gebeurde er iets met je als speler.
Je voelde: wij zijn niet zomaar FC Groningen.
Wij kunnen tegenstanders pijn doen.
Voor mij persoonlijk ging het tweede seizoen beter dan het eerste. Mijn lichaam werkte beter mee. De blessures zaten me minder in de weg. Ik kwam meer in mijn ritme en maakte dat seizoen 15 doelpunten. Later, in mijn derde seizoen, zouden dat er 17 worden.
Je voelde: wij zijn niet zomaar FC Groningen.
Wij kunnen tegenstanders pijn doen
Maar cijfers vertellen nooit het hele verhaal. Want dat tweede seizoen ging niet alleen over doelpunten. Het ging over groei. Over volwassen worden als prof. Over de vraag: kan ik ook presteren als het groter wordt? Als de tegenstander groter wordt? Als de druk groter wordt?
Die vragen kwamen snel.
Want in Europa kregen we geen kleine club.
We kregen Atlético Madrid.
Atlético Madrid: geen angst, maar genieten
De loting voor de eerste ronde van de UEFA Cup was duidelijk: Atlético Madrid. Een grote club. Een naam. Een stadion. Een tegenstander met historie. Toen wij naar Madrid gingen, voelde ik geen angst. Natuurlijk wist je dat je tegen een topclub speelde. Natuurlijk voelde je dat dit groter was dan een gewone competitiewedstrijd. Maar bij mij kwam er vooral een gevoel van genieten.
Kom maar op!
Daar sta je dan. Als jongen die ooit bij FC Hull als stagiair met een bezem in zijn handen stond. Een jongen die in Engeland ook teleurstelling en frustratie had gekend. Ik heb daar letterlijk een bezem kapot gemaakt uit pure frustratie, omdat het tegenzat en ik voelde dat ik meer in me had.En nu stond ik hier: Europees voetbal. Atlético Madrid. FC Groningen.Dat doet iets met je. In die wedstrijd maakte ik met volle trots het eerste Europese doelpunt voor FC Groningen.
Dat moment vergeet ik nooit. Niet alleen omdat het een doelpunt was. Maar omdat het voelde als bevestiging. Van al die jaren werken. Van doorgaan toen het tegenzat. Van blijven geloven dat er meer mogelijk was.
Dat moment vergeet ik nooit. Niet alleen omdat het een doelpunt was. Maar omdat het voelde als bevestiging. Van al die jaren werken. Van doorgaan toen het tegenzat. Van blijven geloven dat er meer mogelijk was.
Daarna maakte Atlético Madrid twee doelpunten. Een daarvan was een eigen doelpunt van Walter, Wally, Waalderbos. We verloren uit met 2-1. Maar 2-1 uit was geen slechte uitgangspositie. Thuis in het Oosterpark lag alles nog open.
Een volle Oosterpark tegen Atlético Madrid
De return tegen Atlético Madrid werd gespeeld in een vol Oosterparkstadion.
Dat stadion kon klein lijken voor de buitenwereld, maar groot voelen als je erin stond. Vooral op Europese avonden. Het publiek zat er bovenop. Je hoorde geen losse geluiden meer, maar één muur van lawaai.
En dat publiek gaf ons iets extra’s.
Wij geloofden erin.
Niet een beetje. Echt.
We gingen de wedstrijd in met het gevoel dat het kon. Niet hopen dat Atlético een slechte dag had, maar zelf de wedstrijd pakken. Zelf druk zetten. Zelf durven voetballen.
En dat deden we.
We wonnen met 3-0.
De doelpunten kwamen van Ron Jans, Erwin Koeman en Jan van Dijk.
Dat zijn wedstrijden die je nooit vergeet. Niet alleen vanwege de uitslag, maar vanwege het gevoel. De trots. De verbondenheid tussen spelers en publiek. Je voelde dat we samen iets deden wat groter was dan één wedstrijd.
FC Groningen schakelde Atlético Madrid uit.
Voor een jonge speler is dat goud waard.
Je leert dan: namen spelen niet. Shirtkleuren spelen niet. Geschiedenis speelt niet. Op het veld gaat het om lef, organisatie, kwaliteit en geloof.
En na Atlético kwam de volgende grote naam. Inter Milan.

Inter Milan: weer een topclub, weer volle bak
Alsof Atlético Madrid nog niet genoeg was, kwam daarna Inter Milan.
Weer een Europese topclub. Weer een naam waar je als voetballiefhebber respect voor hebt. Maar ook hier gold: respect ja, angst nee.
De eerste wedstrijd speelden we thuis.
Weer volle bak.
Weer die sfeer.
Weer dat Oosterparkgevoel.
En opnieuw hadden wij de juiste instelling. We gingen Inter niet bewonderen. We gingen ze aanpakken.
Dat is een belangrijk verschil.
Veel jonge spelers maken de fout dat ze grote tegenstanders groter maken in hun hoofd. Natuurlijk moet je respect hebben voor kwaliteit. Maar als je te veel onder de indruk bent, ben je al bezig jezelf kleiner te maken.
Wij deden dat niet.
We wonnen thuis met 2-0.
De doelpunten kwamen van Ron Jans en Fandi Ahmad.
Een geweldige uitgangspositie. Europees voetbal. Inter Milan verslagen in Groningen. Het geloof was groot.
Maar dan moet je nog uit.
En Europees uitspelen tegen een Italiaanse topclub is iets anders.
Bari in plaats van San Siro
De uitwedstrijd tegen Inter Milan werd niet in San Siro gespeeld, maar in Bari.Dat had te maken met eerdere problemen met supporters. Natuurlijk was dat jammer. Iedere voetballer wil in San Siro spelen. Zo’n stadion, zo’n naam, zo’n voetbaltempel — daar droom je van. Maar Bari kon misschien ook in ons voordeel werken. Kleiner stadion. Andere omstandigheden. Misschien minder indrukwekkend dan San Siro. Dat dachten we tenminste.
Tot we naar buiten gingen voor de warming-up.
Daar kregen we precies wat ons eigen Oosterparkpubliek normaal voor ons deed, maar dan nog harder terug. Het lawaai, de druk, de vijandigheid, de energie van het stadion — dat kwam allemaal op ons af.
Dat is Europees voetbal.
Dat is druk.
Dat is volwassen worden.
De eerste helft hielden we stand: 0-0.
Dat was goed. We zaten nog steeds in de wedstrijd. Met de thuiswinst van 2-0 hadden we alles in handen.
Maar in de tweede helft werd het heel zwaar.
Inter kwam op 3-0.
Dan verandert alles. Je voelt de druk toenemen. Je voelt dat de tegenstander ruikt dat er meer mogelijk is. Je voelt dat het stadion nog harder gaat. Je moet helder blijven, maar juist dat wordt op zulke momenten moeilijk.
Met nog ongeveer acht minuten te gaan maakte ik de 3-1.
Door dat uitdoelpunt stonden wij op dat moment weer voor.
Dat is bijna niet uit te leggen. Je ligt onder druk. Je staat 3-0 achter. Je maakt 3-1. En ineens ben je virtueel door.
Maar dan moet je het vasthouden.
En dat lukte niet.
Inter zette nog een enorme aanval op ons doel. De druk werd gigantisch. Uiteindelijk verloren we met 5-1.
Einde UEFA Cup.

Succes en falen liggen soms acht minuten uit elkaar
Die wedstrijd tegen Inter Milan heeft mij veel geleerd.
Niet alleen over voetbal, maar over omgaan met stress.
We waren dichtbij. Heel dichtbij zelfs. Met mijn doelpunt stonden we weer aan de goede kant. Maar onder enorme druk moet je als team nog beter blijven handelen. Rustig blijven. Communiceren. Je taken blijven doen. Niet alleen op karakter overleven, maar ook met helderheid blijven voetballen.
Dat is makkelijker gezegd dan gedaan.
Op papier kun je alles uitleggen. In een bespreking kun je alles aanwijzen. Maar als het stadion kolkt, de tegenstander blijft komen en je voelt dat de wedstrijd uit je handen glipt, dan komt het aan op mentale kracht.
Daarin heb ik veel geleerd.
En toch kijk ik ook met trots terug.
Ik maakte twee doelpunten tegen twee Europese topclubs: Atlético Madrid en Inter Milan. Dat is iets wat niemand mij meer afneemt. Er was zelfs belangstelling van beide clubs. Maar FC Groningen wilde mij op dat moment niet verkopen.
Dat hoort ook bij voetbal.
Soms komt er interesse. Soms komt er een kans. En soms beslist de club dat je moet blijven. Als speler moet je daarmee omgaan. Je kunt balen, maar je moet ook verder. Je werk doen. Je team helpen. Jezelf blijven ontwikkelen.
Voor mij was het belangrijkste: ik voelde dat ik dichterbij kwam.
Die jongen met de bezem, die ooit uit frustratie bijna ontplofte omdat het tegenzat, stond nu in de belangstelling van Europese topclubs.
Dat gaf voldoening.
Niet omdat ik dacht dat ik er al was. Maar omdat ik voelde: doorgaan heeft zin gehad.
Op papier kun je alles uitleggen. In een bespreking kun je alles aanwijzen. Maar als het stadion kolkt, de tegenstander blijft komen en je voelt dat de wedstrijd uit je handen glipt, dan komt het aan op mentale kracht.
De bekerwedstrijd die pijn bleef doen…
Europa hadden we dat seizoen ook een mooie reeks in de KNVB Beker. We kwamen ver. Maar in de halve finale werden we uitgeschakeld door Fortuna Sittard. En eerlijk: die wedstrijd deed pijn. Heel veel pijn.
Niet alleen omdat we verloren. Verliezen hoort bij voetbal. Je kunt een wedstrijd verliezen omdat de tegenstander beter is. Omdat het net niet valt. Omdat details verkeerd uitpakken. Maar deze wedstrijd voelde anders.
Voor mijn gevoel was dit een van de slechtste wedstrijden als het ging om inzet en wil om te willen. En dat raakte mij diep. Ik huil niet vaak om voetbal, maar het feit dat je een bekerfinale weggeeft, vond ik heel erg. Een finale speel je misschien niet vaak in je leven. En als je dan het gevoel hebt dat je niet alles hebt gegeven wat erin zat, dan blijft dat hangen.
Dat is een andere pijn dan een schot op de paal of een gemiste kans. Dit gaat dieper. Dit gaat over de vraag: hebben we echt alles gedaan?
Daar zit voor mij ook een les in. Talent is mooi. Een goed team is belangrijk. Een goede trainer helpt. Maar uiteindelijk moet de wil om te winnen er elke wedstrijd zijn. Zeker op momenten waarop er iets bijzonders te halen valt. Want sommige kansen komen niet zomaar terug.
Wat jonge spelers hiervan kunnen leren
Als ik jonge spelers één ding wil meegeven vanuit dit seizoen, dan is het dit:
Blijf altijd in jezelf geloven, maar denk nooit dat je het alleen kunt.
Je hebt geloof in jezelf nodig. Absoluut. Zonder geloof red je het niet. Zeker niet als je blessures krijgt. Zeker niet als je eerste seizoen tegenvalt. Zeker niet als anderen aan je twijfelen of als je zelf voelt dat je nog niet bent waar je wilt zijn.
Maar geloof in jezelf betekent niet dat je alles alleen moet doen. Je hebt een goed team nodig. Een trainer met visie. Medespelers die je beter maken. Een omgeving die professioneel is. Mensen die eerlijk tegen je zijn. Mensen die je uitdagen, maar ook vertrouwen geven.
Voor mij was het in mijn voordeel dat Han Berger FC Groningen naar een hoger professioneel niveau wilde tillen. Die stap van semiprofessioneel naar steeds meer full prof was belangrijk. Daardoor kwam er een andere standaard. Een ander ritme. Een andere manier van denken. En als speler groei je mee met de standaard om je heen.
Daarom zeg ik tegen jonge spelers: kies je omgeving goed. Kijk niet alleen naar waar je nu kunt spelen, maar ook naar waar je beter kunt worden. Wie daagt je uit? Wie helpt je karakter vormen? Wie leert je omgaan met druk?
Want op een bepaald niveau gaat het niet meer alleen om voetballen.
Iedereen kan dan aardig voetballen.
Iedereen heeft talent.
Iedereen wil spelen.
Maar wie blijft werken als het tegenzit?
Wie blijft geloven na blessures?
Wie blijft rustig onder druk?
Wie geeft alles in een halve finale?
Wie blijft zichzelf ontwikkelen als er interesse komt van grotere clubs?
Dat zijn de vragen die uiteindelijk bepalen hoe ver je komt..!
Je wint niet altijd. Je krijgt niet altijd meteen de kans die je wilt. Je wordt soms tegengehouden, soms getest, soms teleurgesteld. Maar als je blijft geloven, blijft werken en de juiste mensen om je heen hebt, kun je stappen zetten die je eerst niet voor mogelijk hield.
Bekijk The Next Goal
Meer van dit soort inzichten ontvangen? Abonneer je op mijn videopodcast The Next Goal. Die gaat niet alleen over wat je bereikt, maar over wie je wordt onderweg. Ga naar The Next Goal met Rob McDonald.
In deze serie ga ik in gesprek over voetbal, karakter, keuzes, mentale kracht, tegenslag en de lessen die je meeneemt van het veld naar het leven.
En denk eens na over jouw volgende stap.
Als speler.
Als ouder.
Als trainer.
Als coach.
Of gewoon als mens.
Want iedereen heeft een volgende wedstrijd te spelen.

